![]()
Historie Trekvaart Haarlem-Leiden
In 1656 werd door de Staten van Holland octrooi verleend voor het graven van de trekvaart van Leiden naar Haarlem. Van de Raampoort in Haarlem, naar de Korte Mare in Leiden. Binnen een jaar werd de vaart in gebruik genomen. Het graven van de trekvaart was handwerk. Mede doordat op verschillende plaatsen te gelijk met graven werd begonnen, kon de vaart snel in gebruik worden genomen. Naast de trekvaart werd ook een Jaagpad aangelegd, waarover de paarden geleid werden, die de trekschuiten trokken.

Het graven van de trekvaart tussen Haarlem en Leiden geeft het westen van ons land een belangrijke impuls in ‘De Gouden Eeuw’. Al direct na de ingebruikname in 1657 voeren de trekschuiten af en aan en de trekvaart werd een belangrijke verbinding tussen Amsterdam, via Haarlem, naar Leiden, Gouda, Delft en Dordrecht. Mede door de aanleg van de trekvaart, ontstond er een bloeiende handel in dit deel van het land. Haarlem en Leiden exploiteerden de vaart voor gezamenlijke rekening en die exploitatie was zeer lucratief.
Een dagelijkse verbinding tussen de steden per trekschuit, was een regelrechte revolutie in die tijd. Het vervoer tot het moment van aanleg, was ‘te voet’, per paard, per (zeil)boot of met een (post)koets en duurde vaak vele dagen. Bovendien waren de wegen zéér slecht en ook dit zorgde ervoor, dat vervoer veel tijd in beslag nam.
Het vervoer ging weliswaar niet erg snel, maar de trekschuiten hadden geen last van tegenwind, waren zéér betrouwbaar en gemeten met de maatstaven van de zeventiende eeuw, ook zéér comfortabel. De trekschuiten voeren ook met een dienstregeling die nauw luisterde en op tijdsoverschrijdingen stond een boete. Meer dan tweehonderd jaar bleef de trekschuit, de belangrijkste vorm van vervoer van personen en goederen in westelijk Nederland.